Van binnen en van buiten paarsbruin, later tot bijna zwarte verkleurend, vrij fors, bekervormig vruchtlichaam, tot 55 mm in doorsnede. Aan de buitenzijde met donkerdere schubjes.
Zonder of met een korte steel.
Vlees zacht, donkerpaars.
Groeit op zandige, kalkhoudende bodem, vaak dichtbij de zeereep en in het open grijs duin (september-april).
Voor een zekere op naam brenging is microscopisch onderzoek nodig.
Fam.: Pezizaceae.
(Foto: Jac Smout)
Eetbaarheid: n.v.t.